Poëzie

BOEKEN NR. 7, SEPTEMBER 2022

Tania Verhelst: U kunt uw lichaam hier achterlaten

door Yvan de Maesschalck

‘Aan de lijn naast het huis hangen mensen hun gezicht op’  

Het is natuurlijk een beetje voorbarig om bij een tweede bundel van een dichteres die amper twee jaar eerder debuteerde, te spreken van een oeuvre in wording. En toch voel ik een lichte aandrang om daar bij Tania Verhelst van te gewagen. Niet alleen keert in U kunt uw lichaam hier achterlaten dezelfde toonvaste stem terug die alledaagse evidenties onderuithaalt, ook de beelden die in Twee helften werden aangesneden, worden in de nieuwe bundel verder uitgediept. Beide bundels bestaan uit vijf zorgvuldig gecomponeerde afdelingen, waarbij het dominerende beeld van zich in elkaar spiegelende of elkaar opheffende helften, ook hier concreet gestalte krijgt in gedichten als ‘Het halve huis’, ‘Twee vissen’, ‘Vleugel’ en ‘Nachtoog III’.
 
In het eerste gedicht wordt de zonsopgang en -ondergang verbonden met de onverzoenbare visie van een vrouw en een man, die er nooit in slagen elkaar binnenskamers te ontmoeten, behalve ‘aan een ronde tafel’. Of het een knipoog betreft naar Paul van Ostaijens ‘Alpenjagerslied’, lijkt me niet onmogelijk, maar de cirkel of een bepaalde omtrek – een vuist, plein, park, kring, rotonde, horizon, schaakbord – is in ieder geval de enige geometrische vorm die tegenstellingen lijkt te kunnen neutraliseren. In laatstgenoemde gedicht komt Verhelsts duale wereld- of mensbeeld tot uiting in de slotverzen ‘wat op het puntje van zijn tong lag / verscheen op de top van een berg en zweeg’. Raadselachtige verzen misschien, maar ‘op het puntje van zijn tong’ keert zowel in structureel als semantisch opzicht terug in ‘op de top van een berg’: beide voorzetselgroepen sporen met elkaar.
 
Hoewel beide bundels in meer dan een opzicht in elkaars verlengde liggen, wordt in U kunt uw lichaam hier achterlaten een nieuwe thematiek aangesneden. Zo lijkt de dichteres een poëtische lans te breken voor absolute kwetsbaarheid en de authenticiteit die daarmee samenhangt. Ze zet daarvoor onder meer het beeld in van de huisjes- of naaktslak, die uiteraard volkomen onbeschermd is en, behalve op het voorplat, in de fraaie zwart-witillustraties vijfvoudig opduikt. In ‘Ik wil’ heet het enigszins programmatisch zo:
 
‘ik wil god opnieuw ontmoeten, niet de god van kruistochten
maar van naaktslakken
 
ik wil in een boogscheut van sierlijk wonen
de balts van een eland beantwoorden
mij oefenen in zacht
 
ik wil varen op schokgolven van geluk
en drijven op nutteloosheid
nutteloos schokkend geluk’
 
Waar ‘nutteloos schokkend geluk’ voor zou kunnen staan, wordt onder meer verbeeld in ‘Gelukkig’, het slotgedicht van de eerste afdeling ‘Zondermeer’. Het introduceert een gescheiden man die levenslang alleen voor zijn zieke zoon zorgt: ‘en jaren later wanneer zijn laatste uur gekomen is / ziet enkel zijn zoon dat hij sterft zoals hij heeft geleefd / volstrekt gelukkig’. Het korte gedicht leest als een soort parabel – met ingebouwde levensles of verrassende pointe – en doet, wat dat betreft, aan Multatuli denken. 
 
Maar die parabelachtige – eventueel Bijbelse – inslag kenmerkt ook andere gedichten. Een opvallend exemplaar is ‘Twee vissen’, dat uit strofen van ongelijke lengte is opgebouwd en als volgt begint: ‘een man heeft twee vissen: Claus en Aagje, genoemd naar zijn angsten, claustro- en agorafobie’. Mannelijk en vrouwelijk staan tegenover elkaar, zoals eng en breed dat ook doen. Hoewel het moeilijk is niet meteen aan Hugo Claus en Aagje Deken te denken, schrijvers die even ver uit elkaar liggen als genoemde angsten, gaat het ook hier om tegengestelde krachten. Wanneer de man ‘naar het midden van het plein’ loopt, blijven de angsten uit. Tot beide vissen dood op het water drijven en een nieuwe angst opduikt. Aan de lezer wellicht om die nieuwe angst te benoemen.
 
Behalve parabelachtig zijn sommige gedichten ook in meerdere of mindere mate grotesk van aard; ze doen hoe dan ook denken aan de buitenissige verhalen van onder anderen Franz Kafka, Paul van Ostaijen, Paul Snoek en Gust Gils. In het gedicht ‘Möbiusdroom’ worden een boom, vrouw, man en een droom zo intens met elkaar verknoopt dat niet alleen het beeld van een platonisch dubbelwezen ontstaat, maar ook een vegetale metafoor over de conceptie van een kind:
 
‘een man hakt een vrouw uit een boom
en een vrouw bindt een man rond haar middel
 
het vlees van de boom, noemt de vrouw hout
en de vrucht van de vrouw, noemt de man kind
de meeste vruchten vallen hard
tenzij handen helpen afbinden, het hars stelpen
de vrucht in een droom leggen waar de droom wortel schiet
 
het punt waar een boom uit een droom groeit, noemt de man navel
de plek waar bomen samenkomen, noemt de vrouw woud
voor de plek waar dromen samenkomen vinden ze geen naam
 
de man knoopt zijn lichaam aan dat van de vrouw
zodat zijn droom in die van haar schuift
zo voelt zij hoe hij een boom uit haar hakt
en hij hoe ze hem rond haar middel bindt
in kringen naar binnen drijft
 
als de man wakker wordt, droomt de vrouw verder
wat wordt er van een droom, vraagt hij zich af
wanneer hij wortel schiet’
 
Dromen vloeien over in de werkelijkheid en overstijgen ze tegelijk, zoals de kringen van een Möbiusring eindeloos van binnen naar buiten verglijden en omgekeerd. Om die gedachte vorm te geven maakt de dichteres gebruik van personificaties, paradoxen en zich in elkaar spiegelende verzen. Zoals de vrouw (bijna) aan de man ontglipt, ontglipt het gedicht (bijna) aan de greep van de lezer. Dat gebeurt op een andere manier ook in ‘Het hoofd’ over een ‘land waar enkel mensen wonen zonder hoofd’. Tot iemand een hoofd ‘in de branding’ aantreft, dat als een aberratie wordt beschouwd. In dit gedicht wordt de vertrouwde werkelijkheid letterlijk op haar kop/hoofd gezet. Uiteindelijk geeft de man het hoofd ‘aan de zee terug’: ‘het dobbert met één oor in de zee en één oor naar de hemel gericht / het ziet, het hoort en het zwijgt’.
 
De neiging van de dichteres om een vervormde of averechtse werkelijkheid op te roepen wordt in het drieluik ‘Nachtoog’, waarmee de slotafdeling ‘Utopia revisited’ begint, ten volle geëxploiteerd. De spanning tussen het (in een schelp geborgen) lichaam en de taal die erover kan berichten, wordt in het eerste luik zo verwoord: ‘dat we altijd groter zullen zijn dan dit lichaam doet vermoeden / met het woord over het vlees gespannen, het bot verpulverd tot jicht / om het gemis niet te voelen van het land waar we heen en vandaan komen’. Het lichaam staat in deze bundel voor de breekbare buitenkant, een hulpstuk met tijdelijke gebruikswaarde, en dat geldt bij wijze van pars pro toto ook voor het gezicht. In het tweede luik wordt daarop ingespeeld, zoals uit de beginverzen blijkt: ‘aan de lijn naast het huis hangen mensen hun gezichten op / moe van de hele dag gesproken en geglimlacht te hebben’. 
 
De omgekeerde variant – een totum pro parte – komt voor in het lange gedicht ‘Loos’, waaraan de bundeltitel is ontleend. In het gedicht wordt de dissociatie van het menselijk lichaam en de daarmee verbonden identiteit helemaal doorgedacht.  En dat levert bevreemdende verzen op als deze:
 
‘later kwam je het nog eens tegen, jouw lichaam
het stond aan te schuiven aan de kassa in een winkel, zelfingenomen
je wou iets zeggen, jezelf bij je naam roepen maar je had geen stem want je stem was niet van haar
je kon alleen maar kijken hoe het haar spullen op de loopband zette
spullen die jij nooit gekocht zou hebben
en dat was de laatste keer dat je het hebt gezien’
 
De verzen maken niet alleen duidelijk dat je zonder lichaam best zou kunnen functioneren, maar ook dat het lichaam, hoewel als naamwoord onzijdig, toch met een vrouwelijk gender te verbinden valt. Die aandacht voor het grammaticale, meer bepaald voor het minimale of ogenschijnlijk bijkomstige detail, tref je ook aan in andere gedichten. ‘Brief’ bijvoorbeeld besluit zo: ‘als je nu maar kon vergeten dat je betrekkelijk en bijvoeglijk bent / verbogen door willekeurige windrichtingen van tijd’. Het gaat daarbij – soms heel letterlijk – om een afkeer van ‘schoonschrijverij’ en een voorkeur voor ‘vlekken en verzinsels’. Of om een voorkeur voor wat Verhelst zo mooi ‘de wegwerplyriek’ of ‘de postmoderne hiërogliefen’ noemt in ‘De bijsluiter’. Een voorkeur voor rustig makende ‘bijwerkingen’, voor het terloopse, het ongeplande, het toevallige, het onberegelde of onberegelbare. ‘Stel je voor hoe het plots gebeurt, dat daar en daar en daar / plots’, zo klinkt het uitfadende einde van ‘Plots’. Verzen die vooruitwijzen naar het slot van ‘Voor al wat niet is’: ‘het is niet wat vloeiend en mooi / het is wat wars en ontregeld / plots afbreekt –’. Van dat ‘ontregelde’, tegen alle wetten in, tracht deze bundel de hartslag op te meten, ook als daarvoor een (knie)val onvermijdelijk is, want ‘in de val worden wij gebroken / in de val worden wij vrij’. Aldus de slotwoorden van deze ronduit belangwekkende bundel.
 
Tania Verhelst: U kunt uw lichaam hier achterlaten, De Zeef, Gent 2022, 64 p. ISBN 9789493138773

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, SEPTEMBER 2022

Achter de slaperdijk

Martha Heesen

De rozentuin

Maeve Brennan

Krop : want er is tussen ons iets enorms aan de gang

Anne Provoost

Scheiden

Susan Taubes

Weerlicht

Jante Wortel

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, SEPTEMBER 2022

Aicha en de verloren taal

Fikry El Azzouzi, Trui Chielens (ill.)

Alma; Van Honduras naar de Verenigde Staten, 2500 kilometer op de vlucht

Sander Meij

Bliksemkind

Hans Hagen, Martijn van der Linden (ill.)

De dag dat Oorlog naar Rondo kwam

Andriy Lesiv, Romana Romanyshyn

Onheilsdochter

Jean-Claude van Rijckeghem

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri