Vertaald proza

Judith Schalansky: De atlas van afgelegen eilanden

door Kris van Zeghbroeck

De aantrekking van het eiland is groot, zowel voor de wereld- als de leunstoelreiziger. Het isolement door water, de oneindige kustlijn, de vaak afgelegen locatie en de afwezigheid van het vertrouwde vasteland spreken tot de verbeelding. Eilanden kunnen in grootte variëren van een continent (Australië wordt daarom niet door iedereen als een eiland gezien, maar bijvoorbeeld Groenland wel) tot een aantal vierkante meter die het begrip rots overstijgen.

Bij grote eilanden worden de begrippen ‘eiland’ en ‘vasteland’ relatief, omdat ze zelf vaak een aantal kleinere eilanden voor de kust hebben. Met de dreigende klimaatverandering en het gestaag stijgende zeeniveau dreigen laaggelegen eilanden te verdwijnen. Hooggelegen eilanden zullen grotendeels overleven, als een spreekwoordelijke rots in de branding, terwijl delen van het vasteland op termijn ook overspoeld zullen worden, op enkele nieuwe ‘eilanden’ na.

Nesofilie of eilandgekte is iets waaraan zowel de Duitse schrijfster Judith Schalansky als de Nederlandse bioloog Albert Beintema lijden, zij het dat Schalansky over eilanden schrijft die ze nooit zal bezoeken terwijl Beintema uit eerste hand de plaatselijke natuur en geschiedenis beschrijft.

In het van 2009 daterende en pas vertaalde boek De atlas van afgelegen eilanden beschrijft Schalansky ‘vijftig eilanden waar ik nooit ben geweest en ook nooit zal komen’. Hoewel het boek als een roman gepubliceerd wordt, gaat het niet over fictieve eilanden of beschrijvingen. Het boek vindt zijn oorsprong in Schalansky’s passie voor atlassen en vingerreizen die ze van kindsbeen af ontwikkelde. Ze omschrijft eilanden poëtisch als ‘voetnoten bij het vasteland’. Alleen hangt het van het perspectief af wat als vasteland of eiland beschouwd wordt. En bovendien kan elk punt op de wereld, zelfs een afgelegen plek als Paaseiland, als het centrum van de wereld beschouwd worden.

Schalansky’s ‘roman’ krijgt de vorm van een encyclopedisch werk waarin de eilanden gegroepeerd worden naargelang van de zee of oceaan waarin ze voorkomen, en waaraan ze hun status als eiland ontlenen. Bereneiland (Noorwegen) is een van de weinige eilanden uit Europa die zijn opgenomen, vooral de Grote Oceaan (27), de oostelijke zijde van de Atlantische Oceaan (9) en de Indische Oceaan (7) claimen het gros van de eilanden.

De Noordelijke IJszee (3) en de Zuidelijke Oceaan (4) zorgen voor de ijsblokjes in deze overwegend tropische cocktail. Onvermijdelijk grijpt Schalansky naar de historische anekdotiek om haar verhalen van maximaal één bladzijde vorm te geven, inclusief enkele atlasgebonden data. De overstaande bladzijde krijgt een wat korrelige grafische weergave van het eiland in kwestie.

Schalansky (die naast schrijver ook grafisch ontwerper is) beeldde ze tegen een blauwe achtergrond af waardoor ze de traditie van de historische atlassen weerspiegelen. Een oranje overzichtskaart van elke zee/oceaan, een verklarende woordenlijst en een uitgebreide index completeren het hardcover-atlas-met-leeslintgevoel, waarvan de opzet in het voorwoord nader verklaard wordt. Het gaat hier om een bibliofiele uitgave. Ze leverde Schalansky de eerste prijs van de Stiftung Buchkunst op en werd gepromoot als het ‘mooiste Duitse boek van 2009’.

Het visuele contrast met de eenvoudige paperback Eilanden van Albert Beintema is groot. Daarin worden alfabetisch ‘van Andøya tot Vuurland’ een negentigtal eilanden van over de hele wereld op een heldere manier besproken. Daarbij heeft hij niet alleen aandacht voor de plaatselijke fauna en flora, maar komt tevens de geschiedenis van het eiland aan bod. Dat Beintema heel wat afgelegen eilanden persoonlijk bezocht heeft, komt onder meer omdat hij sinds zijn pensioen lezingen geeft op kleine cruiseschepen die expedities op de wereldzeeën organiseren.

Op enkele overzichtskaarten na ontbreekt elke vorm van illustratie, maar daar staat een veel ruimer aanbod van eilanden tegenover, die doorgaans ook veel uitgebreider worden besproken. De mix van eilanden die bereikbaar zijn voor een daguitstap en andere die haast onbereikbaar ver zijn, laten toe om het begrip ‘eiland’ en zijn kenmerken tastbaarder te maken dan binnen Schalansky’s avontuur van de verbeelding.

Schalansky’s beschrijving van het eiland Deception op Antarctica geeft meteen ook de misleiding weer die haar anekdotiek kan teweegbrengen. Het verslag van een hoefvormig eiland met veilige vulkanische binnenhaven is het toneel van walvisvaarders wier activiteiten in de tegenwoordige tijd worden beschreven. In de tijdlijn kun je wel terugvinden dat de exploitatie van walvisvangst dateert van de periode 1906-1931, maar het verhaal leest als een historische roman zodat het heden en het verleden even met elkaar verwisseld worden.

In Beintema’s humoristisch getinte beschrijving van hetzelfde eiland wordt de walvisvangst teruggebracht tot een paar lijntjes in een persoonlijk verhaal waarin zowel geschiedenis als het hedendaagse reilen en zeilen op het eiland aan bod komt in een veel uitgebreider betoog.

Als we dan met Schalansky symbolisch voet aan land willen zetten in Tristan da Cunha, misschien het moeilijkst te bereiken eiland ter wereld, lijkt elke band met de werkelijkheid doorgeknipt. De roman Die Insel Felsenburg van Johann Gottfried Schnabel en de behandeling van zijn utopische thematiek door de schrijver Arno Schmidt vormen de basis van de vertelling op basis van een vermeende link tussen het fictieve eiland en Tristan da Cunha.

Over het eiland zelf worden we pas wijzer als we met Beintema in zee zijn gegaan, voor wie het een van de vaakst bezochte eilanden uit zijn loopbaan is. Tien keer reisde hij ernaar toe en zeven keer liet het weer toe om aan land te gaan. Wel heb je toestemming nodig van een van de zeven families (vaak afstammelingen van schipbreukelingen) die op het eiland wonen. Centraal staat het onderwerp van Beintema’s boek Het waterhoentje van Tristan da Cunha, waarin hij tracht de authenticiteit van het uitgestorven waterhoen te onderbouwen.

Beide boeken zijn complementair door hun verschillende uitgangspunt en aanpak. Tevens is de onderlinge overlapping van de beschreven eilanden relatief beperkt. Schalansky helpt ons literair mee te dromen in de aloude traditie van de atlassen, terwijl Beintema ons met de neus op de feiten drukt van het hedendaagse ‘eilandhoppen’ naar dichte en verre bestemmingen.


Judith Schalansky, De atlas van afgelegen eilanden, Signatuur Utrecht, 2014, 143 p., ill. € 39,95. ISBN 9789056724900. Vert. van: Taschenatlas der abgelegenen Inseln: fünfzig Inseln, auf denen ich nie war und niemals sein werde door Goverdien Hauth-Grubben. Distributie: WPG Uitgevers

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswolf 2014

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2021

Baksteen

Femke Vindevogel

Brandingen

Paul Verrept

de Lach van de Sfinx

Frans Kuipers

Onder buren

Juli Zeh

Ons deel van de nacht

Mariana Enriquez

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2021

Een leven vol kleur. Alles is kunst, als je maar goed kijkt

Cara Manes, Fatinha Ramos (ill.)

Ik wil een hond (en het maakt niet uit welke)

Kitty Crowther

Ik wil een wiegje worden zei de wilg

Bette Westera, Henriëtte Boerendans (ill.)

Vanaf hier kun je de hele wereld zien

Enne Koens, Maartje Kuiper (ill.)

Victorine

Jet van Overeem, Annemarie van Haeringen (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri