Vanaf negen jaar

Joke Van Leeuwen: Maar ik ben Frederik, zei Frederik

door Frauke Pauwels

9+ - De titel van ‘de nieuwe Joke van Leeuwen’ bereikt me sneller dan het boek. Ongewild zie ik de hele tijd Leo Lionni’s Frederick voor me, de dromerige muis die in het gelijknamige prentenboek de andere muizen doorheen de koudste en hongerigste winterdagen loodst met verhalen en gedichten. Als het boek eindelijk in de bus valt, is de figuur op de cover geen muis, maar een onmiskenbaar Van Leeuwen-personage: opengesperde ogen, opvallend grote oren, een wat dromerige blik. Deze Frederik heeft met de muis van Lionni weinig gemeen. Hoewel: ook hij is bijna een heel boek lang de zwakste, moet vechten tegen (voor)oordelen en pleit — zij het dan terloops en ertoe aangezet door anderen — voor fantasie en verhalen.
Toch staat Frederik allerminst alleen in de boekenwereld. Talloze personages gingen hem vooraf door voor korte of langere tijd ‘verkleind door het leven te gaan. Al is het verhaalgegeven dus allerminst nieuw, in handen van Joke Van Leeuwen wordt het weer bijzonder. In haar gebruikelijke humoristische stijl schetst ze de ervaringen van een man die plots weer een jongen wordt, en hoe het zover heeft kunnen komen.

Breed publiek

Van Leeuwen is een van de auteurs die een sterk oeuvre voor kinderen én volwassenen wist uit te bouwen, en daar ook terecht voor werd bekroond (Constantijn Huygens-prijs 2012, Theo Thijssenprijs 2000). Ze bracht enkele romans voor volwassenen uit, maar ook haar ander werk, fictie en non-fictie, kan door zijn gelaagdheid, taalspel en humor moeiteloos een breed publiek aanspreken. In Maar ik ben Frederik, zei Frederik lijkt Van Leeuwen beide doelgroepen ook heel bewust te bespelen. Dat het hoofdpersonage ‘al jaren een meneer’ is, maar tijdelijk als kind door het leven moet, draagt daar ontegensprekelijk toe bij.
Aan het begin van het verhaal wordt de volwassene er meteen subtiel aan herinnerd hoe het is om kind te zijn, en krijgt het kind inzage in de beleving van de volwassene. Zo heeft Frederik een bureaustoel die ‘kon draaien en naar beneden en naar boven en naar voren en naar achteren. Maar Frederik had andere dingen te doen.’ In dit eerste hoofdstuk speelt van Leeuwen al haar kwaliteiten uit: het taalspel, de vermenging van beeld en woord, de sterke typering van personages.
Het boek wordt duidelijk gesitueerd: dit is een verhaal, gebracht door een verteller, uit een tijd met grote telefoons en nauwelijks computers. ‘In de tijd waarover ik vertel, had nog haast niemand er een.’ Dat de verteller zich de moeite getroost het verhaal zo in de tijd te situeren, is opvallend. Het is immers een constante in het werk van Joke van Leeuwen dat wat kan en wat (net) niet kan naadloos in elkaar overgaan. En dat is hier niet anders...
Frederik, die voor ‘het Knipkantoor’ nieuws verzamelt en ordent, knipt tegen de richtlijnen in een artikel uit voor zichzelf. Hij stopt het overlijdensbericht van een man die hij kent in zijn jaszak en begint bijna meteen te krimpen. Hij verliest zijn beharing en ziet er weer zo jong uit als een kind. Hoewel er een duidelijk verband is tussen het overlijdensbericht en het krimpen, verdwijnt dat aspect naar de achtergrond. Frederik worstelt hoofdstukken lang met het onbegrip van de mensen om hem heen. Hij wordt vastgehouden door de portier, bijna meegenomen door de kinderbescherming, aangehouden door de politie, buitengezet door de slotenmaker...
Het meisje Froma — bijgenaamd Frommel — dat in hem een wat ongewoon speelkameraadje ziet, zet onrechtstreeks zijn groei naar volwassenheid weer in beweging. De échte helper daarbij is echter haar moeder, die dankzij haar open houding en luisterbereidheid het deurtje op een kier zet waarachter Frederik jarenlang zijn verdriet had verstopt.

Hart bij de kinderblik

Van Leeuwen vervormt in dit boek het procédé van de flashback: het personage ziet iets dat hem of haar aan het verleden herinnert en kruipt weer in de huid van zijn jongere zelf. Alleen is de omgeving hier niet mee veranderd, en moet het kind verder in de leefwereld van de oudere man.
En daar wringt de schoen. Joke van Leeuwen beheerst als geen ander de kunst om in heldere taal complexe onderwerpen voor te stellen — denk maar aan haar non-fictie. Daarbij doet ze een sterk beroep op haar eigen beeldende en associatieve vermogen en dat van de lezer. Maar hoe vertaal je de leef- en gedachtenwereld van een man naar woorden en beelden die aansluiten bij de leefwereld van een kind?
Hoofdpersonages in kinderboeken zijn, niet toevallig, bijna steevast zelf kind. In dat opzicht is Frederik een erg ongewoon personage: zijn werkelijke leeftijd schommelt rond de veertig. Van Leeuwen kan echter nauwelijks verhullen dat haar hart bij de kinderblik ligt, en dat maakt de drang van Frederik om weer volwassen te worden, niet altijd even overtuigend. Hoewel de verteller aanvankelijk laat geloven dat Frederik enkel uiterlijk weer kind is geworden, gaat zijn gedaanteverwisseling duidelijk verder.
Frederik schippert tussen zijn werkelijke zijn als volwassene en zijn nieuwe gedaante, waarin ook andere elementen weer meetellen: de bedenking dat de portier nooit weg kan voor een plas, de hernieuwde interesse voor het uitzicht vanuit het kantoorgebouw...
Mooi is hoe die nieuwe blik gaandeweg vanzelfsprekender wordt — alsof Frederik zich ermee heeft verzoend. ‘Frederik liep tussen de struiken door alsof hij toch verstoppertje wilde spelen. Maar dat wilde hij niet. Hij moest plassen. Het werd een mooi boogje waar het zonlicht in glimde. Er zaten grasvlekken op zijn kleren.’ Ook als Frederik zijn kantoor opzoekt om er te slapen en een brief achter te laten voor de directie, lijkt zijn handschrift ‘niet echt op het handschrift van een meneer. [...] Hij had opeens zin om een paar tekeningen te maken. Hij had al zo lang geen tekeningen gemaakt.’

Unieke stem

Enkele woorden zijn vaak genoeg om iemands stem te herkennen. Zo ook bij Joke van Leeuwen. De vlotte verteltoon, de goed geritmeerde zinnen, de sterke dialogen die een situatie raak en humoristisch weten neer te zetten, haar oor voor klanken en klankspel kenmerken dit boek net zo sterk als haar vorig werk.
Meer nog dan deze zaken vormt het samenspel tussen woord en beeld haar artistieke vingerafdruk. Naar eigen zeggen nemen pen en potlood (of penseel) het van elkaar over wanneer de een of de ander zich beter tot het verhaal leent. Hoewel Van Leeuwen in dit boek vaker illustratief dan aanvullend werkt, brengen ook hier stripachtige beeldsequenties beweging in het verhaal, maken ‘realia’ zoals kindertekeningen met doorgestreept handschrift of het uitgeknipte doodsbericht de tekst extra levendig en wordt de aandacht voor de vorm van voorwerpen — en hun tegenhanger in de fantasie van het kind — in beeld uitgewerkt. Een gehavende vogelveer is niet zomaar een veer, maar een ‘kapotte pen van eeuwen geleden’. Een leuke aanvulling vormen de kleurrijke schutbladen, die de wereld van het boek in kaart brengen zonder de fantasie van de lezer te beknotten. De afgebeelde straten en huizenrijen stroken precies met de tekst, maar de eenvoudige, gekleurde gevels en de zwarte ‘gaten’ waar ramen zijn, laten toe om elk gewenst dorp of gezin op deze omgeving te projecteren.
Mooi is dat Van Leeuwen heel terloops een lans breekt voor creativiteit. Ze creëert niet alleen zelf, maar zet door de voorwerpen in Froma’s huis en de instructies voor een van haar knutselwerken ook aan tot creativiteit. Ook in taal doet ze dat, bijvoorbeeld door stil te staan bij het ontstaan van Froma’s naam: ‘Fro komt van Frouke en Ma komt van Marie. Ik had ook Make kunnen heten of Frie of Marouke of zo.’
De zinnen volgen elkaar doorgaans zo vlot en soepel op, dat je zou vergeten dat iemand er moeite voor heeft gedaan. Toch zijn er enkele stroevere passages. Opvallend is dat net die stukken sleutelscènes zijn: het moment waarop Frederik het doodsbericht ziet en de naam van Pepa herkent, het hoofdstuk waarin Frederik eindelijk het contact met zijn moeder Moma hervindt en zijn volwassen gestalte terugwint. Als lezer krijg je even het gevoel dat de auteur hier te opvallend een diepere psychologische laag heeft willen aanboren. De verkleining wordt nadrukkelijk in verband gebracht met een jeugdtrauma, en door daarover te vertellen, krijgt Frederik zijn volwassen gestalte terug. Dat Frederik met een diep verdriet worstelde, en dat hij met dat verdriet komaf moest maken om weer ‘een meneer’ te worden, kon ook anders worden geschetst.
De lat ligt uiteraard hoog: elk nieuw werk wordt afgewogen tegen het sterkste van wat voorafging. Maar hoewel Maar ik ben Frederik, zei Frederik een schitterend en rijk gelaagd boek is, blijf ik zitten met het gevoel dat er meer in zat. Van Leeuwen lijkt zich erg bewust van het kind als (mede)lezer en zoemt voornamelijk in op de praktische problemen: eten, een slaapplek, verjaardagen... De machteloosheid, frustratie en het diepe verdriet dat ongetwijfeld gepaard gaat met zijn verkleining, blijft buiten beeld — tenzij in die ene zin ‘En Frederik deed iets wat hij in geen jaren had gedaan. Hij begon te huilen’. Spijtig ook dat de psychische verklaring van de verkleining zo weinig gedoseerd is. In de twee laatste hoofdstukken helpt Froma’s moeder Frederik in één lang gesprek door zijn jeugdtrauma heen. Nochtans weet van Leeuwen sterke gevoelens feilloos en en mét behoud van de ‘lege plek’ te treffen. ‘En jouw Moma zei almaar "Oooh Oooh", alsof er dingen in haar gedachten gebeurden waar ze geen andere letters meer bij wist.’
Laten we echter niet vergeten dat dit detailkritiek is. Maar ik ben Frederik, zei Frederik blijft op de eerste plaats een sterk boek van een unieke stem uit de Nederlandstalige literatuur. En ook al draagt dit boek door zijn toegankelijkheid voor kinderen het label kinderboek, het blijft ook snoepen voor de volwassen lezer. Van Leeuwen gooit hen nu en dan nog wat extra lekkers toe. ‘"Kijk eens aan", zei de moeder van Frommel. "Over zulk soort dingen heb ik wel eens gelezen. Over een man die in een kever veranderde. Over een kikker die in een prins veranderde. Over iemand die opeens een stuk jonger werd, maar niet zo jong als jij."’ Of ze provoceert. Want wat moeten we denken van een schoonmaker die als volgt wordt geportretteerd: ‘"Jij moet wek," zei de man. "Iek moet skoonmaken. Waarom jij likt hier?"’
Laten we dus vooral niet vergeten dat een leeftijdslabel slechts bij benadering een ondergrens aangeeft. Frederik kan met iedereen de beste maatjes worden.

Joke Van Leeuwen, Maar ik ben Frederik, zei Frederik, Querido Amsterdam, 2013, 102 p., ill. € 13,95. ISBN 9789045116044. Distributie: WPG Uitgevers

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswelp 2013

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri